De verantwoordelijkheid van de lichtontwerper

verantwoordelijkheid lichtontwerper

Verslag Lichtdag Zwolle, Zichtlijnen, maart 2005

door: Henk van der Geest

De Vereniging voor Podiumtechnologie heeft als beleid om op verschillende vakgebieden bijeenkomsten te initiëren. Vanuit die gedachte werd mij een aantal maanden geleden gevraagd bij te dragen aan de inhoudelijke organisatie van een ‘lichtdag’. Eerder was ik betrokken bij initiatieven als ‘belichters experimenteren’ in Alkmaar in 1981 en de themadag ‘bewegend licht’ in Gouda in 1993. Ook was ik mede initiatiefnemer van het congres dat Lichtontwerpers Nederland organiseerde in Amstelveen.

Na mijn ervaring in Gouda, nu meer dan tien jaar geleden, toen ik met regisseur Javier Lopez Piñon en choreograaf Anouk van Dijk een soort voorstelling had bedacht waarbij met dansers en acteurs en buitengewoon veel verschillende manieren van aanpak het bewegen van licht werd gedemonstreerd, heb ik verzucht: 'dit nooit meer'. De enorme hoeveelheid tijd die met het organiseren van dit soort evenementen gepaard gaat is nauwelijks op te brengen naast het toch al drukke bestaan van de eigen praktijk.
Toch heb ik me er weer voor laten strikken. Vooral omdat ik geïnteresseerd was in de stand van zaken bij de lichtontwerpers nu. Mijn verbinding met de Oistat is van groot belang geweest bij het bedenken van deze dag, enerzijds door de internationale contacten maar net zo goed door in den lande met de collega’s te kunnen overleggen.
Destijds ging het om het ontwikkelen van een volledige voorstelling, compleet met repetities, om het gebruik van bewegend licht te demonstreren. Dit keer was de doelstelling vooral het bij elkaar brengen van mensen die iets zinnigs te vertellen hebben op het gebied van licht en die daar in het openbaar over willen discussiëren.
De doelstelling van deze lichtdag was dus om inhoudelijk over lichtontwerpen te discussiëren en op die manier de balans eens op te maken. Dat aspect was vooral uitgangspunt voor de twee fora, maar ook de demonstraties op het toneel van de grote zaal en de workshop over beeldtaal die in het Papenstraattheater werd gegeven leverden stof op tot gesprek en reflectie, omdat ze geïnspireerd waren op licht als kunst én fenomeen. Nadrukkelijk heb ik er voor gekozen geen voorstelling te (laten) ontwikkelen maar een meer museale aanpak te volgen die het kijken en ervaren centraal stelt.

Op andere terreinen
De opbouw van de dag was zo gekozen dat steeds meer werd ingezoomd op het inhoudelijke aspect van het lichtontwerp en hoe dat van invloed is op het werk en de houding van de ontwerper. Eerst voerde Michael Ramsaur het woord, die hoogleraar is aan de Stanford universiteit bij San Francisco. Hij legde uit wat volgens de gebruiken in zijn land wordt gezien als de verantwoordelijkheden en de mentaliteit van een lichtontwerper. Ook gaf hij duidelijk aan waar het conflict zit wanneer een technicus een lichtontwerp maakt. De lichtontwerper houdt zich bezig met de werking van licht, waar de technicus verantwoordelijk is voor het 'werkend houden' van licht. De lichtontwerper veroorzaakt problemen, de technicus lost ze op. Bij het reizen met een voorstelling zal de technicus zich rekenschap moeten geven van de efficiëntie van het bouwen, terwijl de lichtontwerper voor elke voorstelling het optimale wil bereiken.
Vervolgens werd de stap gemaakt naar de praktijk van de in Nederland gevestigde lichtontwerpers. Kees van de Lagemaat, Niko van der Klugt, Joost de Beij en Wim Dresens vormden een forum waarin vragen centraal stonden als: 'Hoe houd je het hoofd boven water', 'Hoe verloopt een ontwerpproces' en 'Hoe communiceer je'. Het inhoudelijke voorwerk ging uit van vier hoofdstukken die iets zeggen over het werk van de lichtontwerper.
1. Wat is je houding in het ontwerpproces?
2. Een opsomming van werkzaamheden die laat zien hoe een lichtontwerper werkt.
3. De lichtontwerper als freelancer.
4. Hoe ziet je voorbereiding eruit en hoe presenteer je je?

Wat opvalt is dat eigenlijk alle lichtontwerpers te kennen geven ook op andere terreinen werkzaam te zijn dan louter op theatergebied. Over het algemeen wordt dat gezien als een verrijking van hun praktijk.
Als freelancer ben je aangewezen op opdrachten en Freek van Duijn vroeg als gespreksleider of dit niet tot conflicten leidt in de praktijk en of je op dat soort momenten wel de beste keuzes kunt maken tussen artistieke en commerciële motieven. Op welke momenten is je aanwezigheid van belang en waar ligt het zwaartepunt van het werk? Dat zijn belangrijke vragen, die verband houden met het samenwerken in een team.

Piekmomenten in de samenwerking
Om te toetsen hoe lichtontwerpers in de praktijk gezien worden en waar de kansen en bedreigingen voor hen liggen was in de middag een debat voorzien met de mensen waarmee ze in de praktijk in aanraking komen. Van theatercriticus tot regisseur en decorontwerper. Het organiseren van dat debat had de meeste voeten in aarde. Om deelnemers te vinden zijn talloze gesprekken gevoerd maar de meeste zonder resultaat. Toch is er een interessant panel tot stand gekomen, dat het werk van de lichtontwerpers op een verhelderende manier aan de orde bracht. Herbert Janse, Jan van Hoof, Marcel Sijm en Chiel Kattenbelt vormen een staalkaart van de verschillende groepen waar de lichtontwerper mee te maken heeft.
Waar het om gaat is hoe er over licht gecommuniceerd wordt. Met welke teksten bespreekt de recensent het werk van de lichtontwerper als dat al aan de orde komt? Met welke woorden inspireert de regisseur de lichtontwerper om te komen tot een belichting die zijn visie op het stuk tot uiting brengt? Hoe spreekt de lichtontwerper met de decorontwerper? Hoe verloopt die samenwerking en wat zijn de verwachtingen die daarbij ontstaan?
Heel duidelijk werd in dit debat waar de piekmomenten in de samenwerking liggen: aan het begin en aan het eind. Van de lichtontwerper wordt verwacht dat hij om te beginnen het stuk van buiten kent en zich terdege heeft voorbereid op het eerste gesprek, zowel met de regisseur als decorontwerper. Hier tekent zich af waar de lichtontwerper tekort kan schieten, het denkniveau dat niet parallel loopt met dat van de regisseur en decorontwerper. De mogelijkheid om te filosoferen en te debatteren over toneel, dans of opera en kunst in het algemeen en daarmee inhoudelijk vanaf het eerste moment deel te nemen aan het vormgevingsproces is op dit moment van cruciaal belang.
Dan wordt aan het eind van de repetitieperiode het licht gemaakt, een tweede piekmoment waarbij alles wat eerder besproken is realiteit moet worden. De belangrijkste (kritische) opmerking van de regisseur was: 'Dan komen ze drie dagen langs en dan maken ze ook nog prachtig licht ook maar daar vind ik niks aan.' Want hoe druk de regisseur ook bezig is om de andere onderdelen van de voorstelling in goede banen te leiden, hij wil graag het debat voortzetten en samen kunst maken. De bedreiging zit ‘m dus in de mogelijkheid die de lichtontwerper biedt tot samenwerking en daar ook tijd voor vrijmaakt, anders dan ‘er een lichie op komen zetten’.
De filosofische bijdrage van Chiel Kattenbelt (Universiteit van Utrecht, instituut media en re/presentatie – theater-, film- en televisiewetenschap) bracht aan de orde wat de verschillen zijn tussen de esthetica van commercieel theater en experimenteren: de techniek verstoppen of juist laten zien hoe de vormgeving in elkaar steekt. De grootste vernieuwers van theater werkten op basis van deze principes. Aardig detail was ook dat in zijn beleving de belichtingen die in Nederland gemaakt worden van hoge kwaliteit zijn in vergelijking met Duitsland, Oostenrijk en Engeland.

Virtueel licht
Als laatste onderdeel had ik een cadeautje bedacht: de voorlezing van het verhaal ‘Traplicht’ door de schrijver K. Schippers. Veel van het proza van deze schrijver, die in 1996 de P.C. Hooftprijs ontving voor zijn werk, gaat over waarnemen en zien, het beschrijven van soms alledaagse situaties waarin het licht vaak een bijzondere rol inneemt. Taal voor lichtbeschrijvingen die daarmee tegelijk tot poëzie wordt.
Het aardigste was dat het verhaal volledig aansloot bij de teneur van de dag, communicatie over licht.
K. Schippers eindigde met een speciaal voor deze dag geschreven gedicht dat hij op onnavolgbare wijze ten gehore bracht.
Tijdens de dag is een enquête gehouden onder de bezoekers over de vraag in welke mate er behoefte is aan opleiding en training. Bij een eerste vluchtig onderzoek blijkt dat die behoefte enorm is - en ook dat hij in twee grote categorieën uiteenvalt. Enerzijds wil men graag deelnemen aan korte applicatiecursussen en aan de andere kant staan een aantal mensen ook open voor een tweejarige full-time opleiding. Al eerder schreef ik over de behoefte aan opleiding, nu is eens te meer aangetoond dat dit niet een privé-idee is maar een veel breder levende wens, die bovendien niet alleen door de lichtontwerpers wordt geuit maar evenzeer en met nog meer nadruk door de decorontwerpers en de regisseurs. Over de conclusies uit de enquête zal later uitvoeriger worden bericht.
Tevens bleek dat er enorme belangstelling voor het houden van dit soort bijeenkomsten is.

Opleidingen
Ik had verwacht dat er een grotere belangstelling zou kunnen zijn vanuit de opleidingen. Die heb ik erg gemist. Zou daarbij de entreeprijs (die tengevolge van de gemaakte kosten onvermijdelijk hoog uitkwam op een bedrag van € 60) een obstakel geweest zijn? De VPT werft mensen vooral in de eigen gelederen. Het zou best eens kunnen zijn dat er een nog grotere groep belangstellenden is die niet bereikt wordt. In ieder geval stelde een aantal mensen dat er één à twee keer per jaar een dergelijke dag georganiseerd zou kunnen worden. Men is geïnteresseerd in het ontmoeten van collega’s, naast het opdoen van kennis. Wanneer een echte workshop georganiseerd wordt zal bezien moeten worden hoeveel mensen werkelijk deel (kunnen) nemen aan een dergelijk initiatief.
Hoe boeiend de discussies ook waren, er was toch niet voldoende tijd om alle aspecten volledig diepgravend te behandelen. Hoe verder? Ik denk dat de discussie tussen lichtontwerpers en decorontwerpers en regisseurs zich nog kan uitspinnen.
Het tot stand brengen van een gezamenlijke taal staat nog maar aan het begin van zijn ontwikkeling. Wanneer er voeding gegeven kan worden aan het ontstaan en ontdekken van die taal door openbaar debat zal dat een grote impuls betekenen voor het verankeren van het op zich al brede fundament waarop dit relatief nog jonge vak rust. En daardoor zal er nog meer vanuit de inhoud tot stand komen. Want er zijn nog grote ontwikkelingen gaande op het gebied van het toneelbeeld waar de lichtontwerper een grote invloed op kan uitoefenen, zeker wanneer video, geheel door de lichtcomputer aangestuurd, deel uitmaakt van het lichtplan.

Dit artikel verscheen eerder in Zichtlijnen