Een werkplaats voor kunst, techniek en wetenschap

werkplaats lichtontwerpen

Een opleiding voor lichtontwerpers in Nederland

door: Henk van der Geest, zichtlijnen mei 2004

Hoeveel lichtontwerpers zijn er eigenlijk in Nederland? Ik weet het niet. Er zijn veel mensen die zich als lichtontwerper presenteren. Maar er is nogal een verschil tussen de een en de ander. Dat kan enerzijds te maken hebben met de sector waarin men werkt, maar ook met ervaring. Sommige mensen lijken meer belang te hechten aan het voeren van de titel dan aan de inhoudelijke implicaties.

Lichtontwerpers ‘ontstaan’ bij ons vanuit de techniek. De praktijk is de opleiding. Maar dat vormt tevens de basis van grote verwarring. Licht wordt daardoor namelijk gezien als een technisch vak. Dat klopt natuurlijk op het niveau van het gereedschap waar mee gewerkt wordt, maar niet als het om de inhoud gaat. En dat is precies waar de schoen wringt.
Nederland heeft geen school waar je je kunt bekwamen in het vak van lichtontwerper. Natuurlijk komt licht aan de orde in theatertechnische opleidingen en bijscholingscursussen en het komt ook bij de studie scenografie aan bod. Maar nergens is licht een wezenlijk onderdeel van studie, laat staan een aparte onderwijsrichting. Die zijn er wel in het buitenland.

In Finland is een academie in Tampere; Duitsland heeft een school in München en ook een in Wismar. Deze laatste is gericht op ‘architectural lighting’. In de Verenigde staten kun je echter (met wisselend succes) op iedere universiteit studeren voor lichtontwerper bij de vele professoren in lichtontwerp. Ook Engeland biedt op meerdere plaatsen de gelegenheid om vanuit de Angelsaksische praktijk belichting te studeren.

Praktijk en reflectie Bij een opleiding voor lichtontwerper is de techniek maar een onderdeel van de vakken die iemand moet volgen. Veel meer tijd zal besteed moeten worden aan vakken als dramaturgie en psychologie. Aan theaterwetenschap en presentatietechnieken. Optiek en kleurenkunde zijn natuurlijk wezenlijke onderdelen van de kennis van de lichtontwerper maar de werking van schijnwerpers mag toch als bekend worden verondersteld op het moment dat een serieuze verdieping in lichtontwerpen wordt overwogen.
Leren om licht te ontwerpen is een continu proces tussen praktijkoefeningen en academische reflectie. Je moet de gave hebben om je eigen werk met de subjectiviteit van de toiletjuffrouw te bekritiseren. Het is geen vak dat je vanuit de schoolbanken in één ruk – van kleuterschool tot academie – onder de knie krijgt.
Het proces van een lichtontwerper kun je trainen om hem daarmee de mogelijkheid te verschaffen dat vak in de praktijk met succes op vele verschillende soorten producties te kunnen toepassen. Maar daar is nogal wat voor nodig.
Om licht te maken voor een voorstelling heb je een theater nodig en een decor. Er moet een stuk zijn, gespeeld door acteurs in kostuums en in een mise-en-scène. Je moet kunnen werken met technici die het decor plaatsen en zorgdragen voor het ophangen en richten van de schijnwerpers. Zonder dit alles is de lichtontwerper niets. Van een lichtplan alleen kun je geen maquette maken om die te testen. Zelfs in een schaaltheater heb je tijd en materialen nodig en ook assistentie om dit te realiseren.

Compagnon De praktijklessen van een lichtontwerper zijn een kostbare operatie waarbij eigenlijk vanaf het begin af aan maar weinig mis mag gaan. De eerste schets is onmiddellijk openbaar en wordt direct bekritiseerd.
Een lichtontwerper maakt dus een lichtplan op basis van tekst, muziek, gesprekken en visuele informatie en zijn analyse daarvan. Daarop volgt een min of meer intuïtief proces met een bepaalde mate van inventiviteit en gebaseerd op de kennis en ervaring van de lichtontwerper. Het lichtplan dat op die manier tot stand komt sluit logischerwijs aan bij de inhoud van het stuk in de visie of stijl van de lichtontwerper.
Het licht krijgt betekenis en elke lichtverandering komt voort uit een redenering. Als lichtontwerper moet je met de regisseur kunnen praten en ook al geeft een regisseur je niet veel houvast, toch moet je daarop een visie en je concept baseren. De decorontwerper wil dat het decor zo goed mogelijk uitkomt, de acteurs in hun kostuums moeten er goed uitzien en het licht moet meedoen in het vertellen van het verhaal – niet al te letterlijk maar toch zo dat het bijdraagt aan het begrip van de voorstelling. Het licht moet zeker spectaculair zijn maar zich niet teveel op de voorgrond dringen.
Technici willen dat het allemaal binnen no-time te bouwen is, lekker in de vrachtwagen past, makkelijk op te hangen is en te stellen en nog sneller af te breken is en in de vrachtwagen zit.
In de premièreweek in het theater werk je om alle repetities heen. Zodra de acteurs van het toneel zijn verdwenen floept het werklicht aan om decorwerkzaamheden te kunnen verrichten. Correcties maak je na de doorloop op het moment dat iedereen staat te trappelen om een biertje te gaan drinken of om gewoon naar huis te gaan.
En logischerwijs weet je alles van spots en computers, gobo’s en het kleurenpalet, trussen en maximale vermogens.
Welke school leert je dat?
Het begin van een lichtplan is de analyse van het script en het regieconcept waarop de regisseur zijn voorstelling baseert. Daar moet je over kunnen filosoferen, debatteren; je eigen verbeelding erover kunnen verwoorden en op papier zetten. In het ruimtelijk ontwerp van de voorstelling ben je de compagnon van de decorontwerper, samen werk je aan de ontwikkeling van het beeld van de voorstelling. En de technici zijn je maten, die er voor zorgen dat het werkt zoals de bedoeling is.

Binnen een netwerk Er zit een lacune tussen de opleidingen van theatertechnici en de artistieke vakken van regisseur en decor/kostuumontwerpers. Theatertechnici krijgen een gedegen technische en praktische basis en ze doen kennis op van de theoretische achtergrond van het culturele gebied waarin ze zich begeven. Op een kunstacademie leer je vaardigheden om zelfstandig een ‘werk’ te maken, gebaseerd op een thema of een verhaal. Dit kan van variëren van een autonoom beeld tot associatieve vormgeving. Hoewel vormgevingstudenten over licht verteld wordt, integreren de opleidingen dit absoluut niet in hun totale lespakket.
Regisseurs worden opgeleid om met acteurs te werken, vormgeving is een aspect dat, hoewel van belang, niet onderwezen wordt als een te regisseren voorstellingsonderdeel. Licht is daardoor voor artistiek opgeleide mensen verworden tot een ongrijpbaar aspect dat voorbehouden is aan de techniek.
Alle ‘afdelingen’ die bij het maken van een voorstelling betrokken zijn worden separaat geschoold. De logische gevolgtrekking is om een aparte opleiding voor lichtontwerpers op te richten. Wat ik van belang vind is dat, ondanks de aparte status, zo snel mogelijk geopereerd wordt binnen een netwerk van theatermakers. Lichtontwerpers moeten in dat netwerk interveniëren en functioneren. Bij elkaar op bezoek gaan. Samen lessen volgen. Gezamenlijke projecten initiëren. Het gesprek aangaan om ervoor te zorgen dat je aan het eind van de opleiding dezelfde taal spreekt.
De referentie die ik gebruik bij het denken over een lichtopleiding is mijn eigen carrière. Na technische kennis in de praktijk opgedaan te hebben was ik toe aan theoretische input. Dramaturgie, psychologie, kleurenleer, optiek. Maar ook methoden en organisatie.
Door nieuwsgierigheid, vragen en lezen kom je een heel eind. Maar dat gaat langzaam en ongestructureerd. De belangrijkste steun mis je, de kritiek die in een veilige omgeving gegeven kan worden. De afwezigheid van productiedwang betekent vrijheid om te experimenteren. Wanneer de druk van publiek en openbaarheid speelt is de keuze voor bekende opties te groot. Natuurlijk is het omgaan met die druk van essentieel belang wanneer de stap naar de praktijk wordt gemaakt. Maar het voorgestelde leerproces is een afwisseling van praktijk en verdieping door analyse, kritiek en debat. Van onderzoek dat is gebaseerd op kennis van theorie en kunde door ervaring.

Nieuwe technologie als ballast Ik zie het vak van lichtontwerper in de beste traditie van kunst en wetenschap. Dat gaat heel wat verder dan techniek met een creatieve component. Waar analyse de basis vormt van het artistieke product is een academie met een werkplaatsachtig karakter de vorm waarin het onderwijs gegeven moet worden.
Lichtontwerpers ontberen een plek in ons land om te kunnen studeren. Terwijl we hier een buitengewoon arsenaal hebben aan lieden die zich in dit vak willen bekwamen. Er is veel behoefte aan de mogelijkheid van studie en verdieping. Waarom zouden die mensen dan niet naar het buitenland kunnen gaan om verder te leren? In ons land heeft de theatertechniek zich in een tijd van tien à vijftien jaar ongelofelijk ontwikkeld, onder invloed van opleidingen en normering. Het reissysteem heeft geleid tot een gigantische vindingrijkheid met behulp van zich revolutionair ontwikkelende nieuwe technologieën.
Op de golf van die technische ontwikkeling is de eerste generatie lichtontwerpers opgestaan. In die cultuur ontwikkelen zij zich tot wie ze nu zijn. Nieuwe generaties hebben het veel moeilijker om zich te ontwikkelen door de ballast van die nieuwe technologie. Daar had de eerste generatie niet zo’n last van. Hang de juiste schijnwerper op de juiste plaats met de juiste kleur en lichtsterkte en zet die op het juiste moment aan en uit. Dat gaf voldoende mogelijkheden om een onuitputtelijke stroom aan nieuwe combinaties te creëren. De introductie van bewegend licht heeft tot hele nieuwe zienswijzen en inzichten geleid. Door de ervaring met wat nu ‘conventioneel licht’ wordt genoemd ben je in staat om nieuwe technologie beheerst en subtiel toe te passen.
Een dergelijke opleiding voor lichtontwerpers is bedoeld voor mensen die bewijzen dat ze kwaliteiten bezitten waaraan nog geschaafd en geschuurd moet worden en veredeld. Aan mensen die zich er toe geroepen voelen om de rest van hun leven met licht bezig te zijn. Om hen uit te leggen dat theater de basis is van kennis en kunde die je ook daarbuiten toe kunt passen.
Dat is een instituut dat ik graag zou willen opzetten.
Kennis is er genoeg in dit land om de inhoud te kunnen waarborgen. Een opleiding is ook de basis van de ontwikkeling van een kenniscentrum voor de eigen markt én aan het ontwikkelen van kennis als exportproduct. Want licht is een internationale taal.

Info: www.eldaplus.org

Dit artikel verscheen eerder in Zichtlijnen